Roel Meeus, De sanctionering door de lidstaten van inbreuken op het Europees milieurecht: tussen handhavingsnood, sanctieverplichtingen en rechtswaarborgen

Print Preview
  • Promotor: Prof. Dr. Luc Lavrysen
  • Co-promotor: Dr. Carole M. Billiet

Handhaving vormt het sluitstuk van ieder wetgevend beleid: zonder handhaving blijft wetgeving veelal dode letter. Voor Europese wetgeving is dit niet anders. Een bijzonder aspect binnen de Europese Unie is evenwel dat het niveau waarop de wetgeving tot stand komt (de EU) verschilt van het niveau waarop deze regels worden gehandhaafd (de lidstaten). De lidstaten genieten immers traditioneel een zgn. handhavingsautonomie m.b.t. de regels die Europees tot stand komen. Dit maakt de Europese Unie in grote mate afhankelijk van de lidstaten voor een afdoende handhaving van de regels die zij creëert. Het Europese beleid dreigt derhalve ondermijnd te worden wanneer de lidstaten hun rol als eerste handhavers onvoldoende opnemen. O.m. het Europees milieurecht zou als gevolg daarvan kampen met een implementatie- en handhavingstekort: de indrukwekkende bulk aan EU-milieurichtlijnen en –verordeningen wordt onvoldoende geïmplementeerd en gehandhaafd in de nationale rechtsordes van de lidstaten, met als resultaat dat er te weinig resultaten worden geboekt op het terrein. Het grote aantal milieuzaken voor het Hof van Justitie zijn alvast een indicatie dat er iets fout loopt. De Europese instellingen proberen daarom sinds enige tijd meer vat te krijgen op de handhaving van het Europees milieurecht. De nieuwe Europese strategie bestaat erin om meer in te zetten op de implementatie en handhaving van de bestaande milieuregels in plaats van nieuwe milieuregels tot stand te brengen. Er wordt gesproken over een ‘shift from law-making to implementation’. Niet alleen de omzetting van EU-milieurichtlijnen in nationaal recht is een prioritair aandachtspunt in deze aanpak, maar ook de effectieve toepassing van de milieuregels op het terrein. Op het vlak van de sanctionering van inbreuken op het Europees milieurecht kunnen twee grote sporen onderscheiden worden die beiden onder de noemer ‘enforcement norm-setting’ gevat kunnen worden. Enerzijds heeft het Hof van Justitie gaandeweg in zijn rechtspraak instrumentele kwaliteitseisen ontwikkeld voor de sanctionering door de lidstaten van Europeesrechtelijke inbreuken. De lidstaten dienen thans proportionele, effectieve en afschrikkende sancties te voorzien in hun nationaal recht wanneer zij EU-richtlijnen en –verordeningen implementeren. Anderzijds neemt ook de Europese wetgever zelf in EU-milieurichtlijnen en –verordeningen steeds vaker sancties op die de lidstaten vervolgens samen met de inhoudelijke bepalingen dienen te implementeren in hun nationaal recht. Om voldoende afschrikking te realiseren zet de Europese wetgever recentelijk ook in op strafrechtelijke sancties, zoals de belangwekkende Milieustrafrechtrichtlijn 2008/99/EG en een wijziging van de Scheepsverontreinigingsrichtlijn 2005/35/EG aantonen.

Dit doctoraatsonderzoek onderzoekt de sanctionering door de lidstaten van inbreuken op EU-milieurichtlijnen en –verordeningen.
Een eerste grote luik onderzoekt de instrumentele verplichtingen die op de lidstaten rusten ter sanctionering van inbreuken op EU-milieurichtlijnen en –verordeningen. In dit luik komen de algemene sanctieverplichtingen ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie aan bod (‘proportionele, effectieve en afschrikkende sancties’), alsook de specifieke sanctieverplichtingen in EU-milieurichtlijnen en –verordeningen. Wat is de betekenis en de draagwijdte van de algemene sanctieverplichtingen? Hoe verhouden zij zich tot specifieke sanctieverplichtingen in EU-richtlijnen en –verordeningen? Hoe vaak komen specifieke sanctieverplichtingen voor in EU-milieurichtlijnen en –verordeningen, welke types sancties omvatten zij, bepaalt de Europese wetgever iets over de penale of bestuurlijke aard van de sancties,...? Bijzondere aandacht hierbij gaat naar de Milieustrafrechtrichtlijn 2008/99/EG en de Scheepsverontreinigingsrichtlijn 2005/35/EG. 
Een tweede grote luik bestudeert de handhavingsnood in het Europees milieurecht. Een handhavingstekort impliceert immers noodzakelijkerwijs een nood tot handhaving. Maar bestaat er wel een handhavingsnood m.b.t. het Europees milieurecht en, zo ja, waaruit bestaat deze handhavingsnood dan? Daarom tracht ik de handhavingsnood m.b.t. het Europees milieurecht te objectiveren.
Er wordt ook stilgestaan bij de vraag naar de concrete doorwerking te velde van de algemene en specifieke sanctieverplichtingen in het Europees milieurecht: zijn de lidstaten verplicht om inbreuken op het Europees milieurecht te sanctioneren? Vanzelfsprekend gaat hierbij ruime aandacht naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. 
Een laatste grote luik betreft het vraagstuk van de rechtsbescherming bij de sanctionering van individuen. Wanneer de lidstaten gevolg geven aan de Europeesrechtelijke sanctieverplichtingen en sancties voor inbreuken op het Europees milieurecht voorzien in hun nationaal recht en vervolgens toepassen in de praktijk, dienen zij tevens oog te hebben voor internationaal- en Europeesrechtelijke rechtswaarborgen, zoals vastgelegd in het EU Handvest, het EVRM en het BUPO. Eerst moet de onderlinge verhouding tussen deze verdragsteksten uitgeklaard worden. Vervolgens worden de relevante rechtswaarborgen besproken, met vooral het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. 
Het proefschrift wordt afgesloten met een overzicht van de conclusies en enkele aanbevelingen voor de Europese wetgever, de nationale wetgever en de handhavers in de praktijk.